Leer kleur, positie en schijnhoek samen herkennen. Een los groen of rood licht zegt op zichzelf niet wie voorrang heeft.

De basislichten uitgelegd
- Toplicht. Wit, schijnhoek 225° naar voren. Kijk ook naar het aantal en de plaats: bij een samenstel kan een voorgeschreven toplicht op een ongemotoriseerde bak staan.
- Boordlichten. Rood aan bakboord en groen aan stuurboord, elk 112,5°.
- Heklicht. Wit, schijnhoek 135° naar achteren. Je ziet de achterzijde, maar daarmee weet je de onderlinge koers nog niet.
- Rondomschijnend licht. Zichtbaar over 360°. Wit komt onder meer voor bij kleine varende schepen en bij stilliggende schepen; lees het hele beeld.
De leeslogica: kleur en positie samen vertellen je welk deel van het schip je ziet, en dus welke kant het op vaart.
Klein motorschip
Een klein varend motorschip voert toplicht, boordlichten en heklicht. De toegestane combinaties staan in BPR artikel 3.13. Een klein open motorschip zonder kajuit, korter dan 7 meter en met een maximumsnelheid van 13 km/u, mag volstaan met één wit rondomschijnend licht.

Zeilschip
Een varend zeilschip voert boordlichten en een heklicht. Een klein zeilschip mag deze combineren in een driekleurenlantaarn boven in de mast. Onder 7 meter mag het één wit rondomschijnend licht voeren, maar bij het naderen van een ander schip moet het dan ook een tweede wit licht tonen. Een groot zeilschip mag boven elkaar een rood en een groen rondomschijnend licht voeren. Gebruikt het schip de motor voor voortstuwing, dan gelden de motorlichten en overdag de zwarte kegel (BPR 3.12/3.13).

Groot motorschip
Een groot motorschip voert toplicht, boordlichten en heklicht. Het voorste toplicht staat volgens BPR 3.08 minimaal 5 meter hoog; bij een schip van maximaal 40 meter mag dat 4 meter zijn. Een tweede toplicht staat verder naar achteren en hoger. Bij een lengte van meer dan 110 meter is dat tweede toplicht verplicht. Dit zijn geen twee verticaal boven elkaar geplaatste sleeplichten.

Schip voor anker
Een klein schip voor anker voert een wit rondomschijnend licht. Een groot schip dat niet aan de oever gemeerd ligt, voert volgens BPR 3.20 twee witte rondomschijnende lichten: voor minimaal 4 meter hoog en achter minimaal 2 meter hoog én minimaal 2 meter lager dan voor. Bijzondere samenstellen en bepaalde ligplaatsen kennen aparte regels.

Bijzondere gevallen
Niet-vrij-manoeuvreerbaar schip: BPR 3.34 schrijft drie rondomschijnende lichten voor, rood-wit-rood, met ongeveer 1 meter gelijke verticale tussenafstand. Bij werkzaamheden met een obstakel toont de onvrije zijde twee rode en de vrije zijde twee groene rondomschijnende lichten, ook ongeveer 1 meter uit elkaar. Die zijreeksen staan minstens 2 meter naast de centrale reeks en niet hoger dan het onderste licht daarvan. Ze komen bij de overige voorgeschreven lichten.

Sleep, duwstel en gekoppeld samenstel
De tabel onderscheidt BPR (binnenwater) en BVA (zee). Bron: BPR artikelen 3.09, 3.10, 3.11 en 3.13; voor zee BVA-voorschrift 24, internationaal gepubliceerd als COLREG Rule 24 door de US Coast Guard. Verwar het gele BPR-heklicht niet met de combinatie geel én wit onder de zeeregels.
| Situatie en reglement | Lichten naar voren en opzij | Lichten naar achteren en bijzonderheden |
|---|---|---|
| Slepend groot motorschip (BPR 3.09) | Twee witte toplichten verticaal; boordlichten | Eén geel heklicht van 135° in plaats van een wit heklicht. Bij meerdere niet achter elkaar varende slepers: drie toplichten. |
| Slepend schip, sleep maximaal 200 m (BVA 24) | Twee witte toplichten verticaal; boordlichten | Wit heklicht met geel sleeplicht erboven. Waar voorschrift 24(d) geldt, komt het voorgeschreven tweede masttoplicht erbij. |
| Slepend schip, sleep langer dan 200 m (BVA 24) | Drie witte toplichten verticaal; boordlichten | Wit heklicht met geel sleeplicht erboven. Lengte gemeten van de achtersteven van de sleper tot het achtereinde van de sleep. Ook een ruit als dagmerk. |
| Gesleept schip (BPR 3.09) | Wit rondomschijnend licht; bij meer dan 110 m twee | Het achterste schip in de lengte van de sleep voert daarnaast een heklicht. Voor bepaalde zeeschepen geldt de uitzondering met boordlichten en heklicht. |
| Gesleept schip (BVA 24(e)) | Boordlichten; geen motor-toplicht | Wit heklicht. Bij meer dan 200 m sleep een ruit waar die het best zichtbaar is; voor slecht zichtbare voorwerpen gelden aparte regels. |
| Duwstel (BPR 3.10) | Drie witte toplichten in een driehoek op de voorste bak; boordlichten op de breedste buitenzijde, zo dicht mogelijk bij de duwboot | Drie witte heklichten horizontaal op de duwboot. Andere volledig zichtbare bakken voeren aanvullende lichten. Een duwstel tot 110 × 12 m geldt hiervoor als één motorschip. |
| Gekoppeld samenstel (BPR 3.11) | Op elk schip een toplicht; op een niet-motorschip mag dit een wit rondomschijnend licht zijn. Boordlichten op de buitenzijden | Een heklicht op elk schip. Boven 140 m gelden de duwstelregels; een vast gekoppeld zeeschip kent een eigen uitzondering. |
Een sleep met uitsluitend kleine schepen valt onder BPR 3.13: de sleper voert zijn gewone motorlichten en de gesleepte kleine schepen een wit rondomschijnend licht. Kies dus eerst reglement en soort samenstel, daarna het lichtenbeeld.
Oefenvragen lichten en dagmerkenDe bordenbibliotheek