Even geduld...
Even geduld...
De twee hoofdregels
Je hebt een vaarbewijs nodig zodra je boot sneller kan dan 20 kilometer per uur. Je hebt ook een vaarbewijs nodig als je boot tussen de 15 en 25 meter lang is, ongeacht de snelheid. Valt je boot buiten beide grenzen, dan mag je zonder vaarbewijs varen.
Start gratis proefexamenKlaar in 10 minuten, geen account nodig.
Een boot die harder kan dan 20 km/u heet een snelle motorboot. Dit geldt ook als je nooit zo hard vaart: de regel kijkt naar wat de boot kán, niet naar wat je doet. Een snelle motorboot moet je daarnaast bij de RDW registreren.
Is je pleziervaartuig tussen de 15 en 25 meter lang, dan heb je een klein vaarbewijs nodig, ongeacht de snelheid. Dit geldt ook voor zeilboten: de lengte telt, niet of je onder zeil of op de motor vaart. Boven de 25 meter (tot 40 meter) volstaat het klein vaarbewijs niet meer en heb je het Groot Pleziervaartbewijs II nodig.
KVB2 omvat KVB1 automatisch. Vaar je alleen op rivieren, kanalen en meren, dan is KVB1 voldoende. Wil je ook op het IJsselmeer, de Waddenzee of de Zeeuwse stromen varen, dan heb je KVB2 nodig.
Vanaf 18 jaar. Voor kleinere, langzame boten gelden lagere leeftijdsgrenzen: vanaf 12 jaar voor een klein open motorbootje tot 7 meter dat niet harder kan dan 13 km/u, en vanaf 16 jaar voor grotere, niet-snelle boten tot 15 meter en zeilboten langer dan 7 meter.
Alleen als de sloep sneller kan dan 20 km/u of langer is dan 15 meter. De meeste sloepen vallen daarbuiten.
KVB1 dekt rivieren, kanalen en meren. KVB2 dekt dat vaarwater plus het IJsselmeer, de Waddenzee, de Eems/Dollard en de Zeeuwse stromen. KVB2 sluit KVB1 in.
Vanaf 18 jaar.